|
Artikel uit de Gazet van Antwerpen door Jakobien Huisman
7 Dagen te paard door de brousse van Senegal
C'est quelque chose!
Senegal kun je op verschillende manieren verkennen. Het West-Afrikaanse land heeft de naam zeer toerist-vriendelijk te zijn door de vele luxe-hotels langs de kust. Maar een beetje avonturier wordt op zijn wenken bediend in de brousse. Te paard is de ideale manier om de unieke delta van de Siné-Saloum, het gebied langs de twee gelijknamige rivieren, te ontdekken. Dat ondervond niet alleen onze verslaggeefster, maar ook Loes Van den Heuvel (alias Carmen Waterslagers uit FC De Kampioenen). '100% avontuur, niet voor zeurpieten!', meldde de catalogus van organisator Hippo-Trek. We waren gewaarschuwd.
Dag 1: In galop langs de baobabs
Om vijf uur 's ochtends worden we gewekt door ritmisch geklop. Het zijn de vrouwen van het dorpje Soussane-Sarène, naast ons basiskamp, die de gierst met lange houten stokken in kommen tot fijne korreltjes stampen. Daar doen ze een heel etmaal over, dus wisselen ze de klopbeurt onderling af. De eerste ochtend van onze reis probeer ik het zelf eens, maar dat valt niet mee! Het is de bedoeling dat je de houten stok van zo hoog mogelijk in de kom laat vallen en na een vast aantal keer in je handen klapt. Een hele dag stampen levert precies voldoende gierst op voor één vijfpersonen couscousmaaltijd. Om dit zware werk, dat overigens enkel de vrouwen verrichten, wat te verlichten, wordt erbij gezongen. 's Avonds leert onze kokkin, Adelaïde, mij het bekendste liedje: Les coqs chantent dès que le jour paraît
Tout s'éveille dans le village
Pour que le bon cous-cous soît prèt
Femmes debout et du courage
Pilon -pon pon!
Vrouwen, fier rechtop, houden de moed erin. 'Pilon-pon pon' bootst het geluid van hun gestamp na. Hoewel er in het droge seizoen, zo'n tien maanden per jaar, weinig voedsel is, heerst er in dit gedeelte van Senegal gelukkig geen hongersnood. Wie verder oostwaarts trekt, weet dat er ook in dit relatief welvarende Afrikaanse land niet voldoende voedsel is. Het is een aspect van Senegal dat weinige van de westerse toeristen te zien krijgen.
We zijn de vorige avond laat aangekomen in Soussane. Emiel Simons, onze Vlaamse gastheer, verwelkomde ons in het basiskamp. Voor iedere deelnemer stond er een klein iglo-tentje klaar.
Vandaag toont Emiel ons de openlucht-wc's en douches. Er is geen stromend water: een grote terra cotta pot gevuld met water doet dienst als baignoir.
Naast het kamp staan onze paarden - een niet al te groot (zo'n 1.55m), maar ijzersterk berberras - te wachten op een eerste kennismaking. Het zijn allemaal hengsten. Een groot deel van de Senegalese bevolking is islamitisch en die godsdienst dicteert dat alleen hengsten bereden mogen worden. Merries werken op het land. Mijn paard heet Gueleward ('machtige koning' in het Wolof), is donkerbruin en ziet er hondstrouw uit. We zijn meteen vrienden. Ook de andere deelnemers blijken goed in het zadel te zitten. Loes Van den Heuvel rijdt al jaren lang en heeft thuis haar eigen paard, genaamd Libido! Bart, de vriend van Loes en de enige zonder rij-ervaring verkiest de koets, die ons gedurende de hele week door de brousse zal achtervolgen. Een korte testrit maakt ons vertrouwd met de streek rond Soussane die wordt gedomineerd door grillige baobabs, oftewel apenbroodbomen. Hun vruchten, zo legt onze gids Ibou uit, zijn een lekkernij en bovendien goed tegen diarree. Gezien de primitieve omstandigheden zal het wel niet lang op zich laten wachten. Ik proef de witte vlokachtige vrucht. Ze smaakt zacht, een beetje als gedroogde appel.
Dag 2: Griots in een eucalyptusbos
De vuurdoop. Zes uur lang in het zadel, dat gaat zeer doen! We dringen dieper in de brousse en bereiken gebied waar de bevolking enkel nog Serer en soms een beetje Wolof spreekt. Onze gidsen, Ibou en Boubacar, zijn zelf Serer en leggen uit dat Senegal zes bevolkingsgroepen met bijbehorende talen telt. Een Senegalees is een polyglot uit noodzaak, want hij moet twee of drie talen kennen om met zijn buren te kunnen communiceren.
Ons paard wordt al snel onze luie zetel, van waaruit we het landschap en de minuscule dorpskernen verscholen tussen oeroude baobabs waarnemen. Als we zo'n dorpje doorkruisen, rennen tientallen kindjes ons tegemoet, gevolgd door hun nieuwsgierige moeders. 'Toubab!' klinkt het. 'Blanke!' Gevolgd door altijd het zelfde woordje: 'cadeau'. In dit deel van Senegal komen zelden blanken. Alleen avonturiers te paard of eventueel in een 4X4 passeren hier, maar de kinderen weten dat ze vaak snoep of balpennen bij zich hebben. Tussen de hutjes van leem en riet lijkt de hele dag verder niks te gebeuren. Een paar varkens scharrelen in het stof, ezeltjes lopen los rond het dorp. 'Madame cadeau?' vraagt een prachtige vrouw met een pasgeboren baby'tje op haar rug gebonden. Ik geef haar de pen waarmee ik mijn aantekeningen maak en krijg in ruil haar baby op mijn arm. Voor de foto. Brede glimlach.
Een paar uur voor zonsondergang slaan we ons tentenkamp op in Boyar tussen de eucalyptusbomen. Van de zelfgemaakte douchecabine met waterton die door de jeep wordt getransporteerd, maken we dankbaar gebruik. Het toilet bevindt zich waar je maar wilt, in de bosjes, liefst niet te dichtbij de tentjes. Adelaïde bereidt de maaltijd van de avond, die altijd pittig en voedzaam is en voornamelijk bestaat uit rijst of couscous met vlees of vis en uien. 's Avonds, als we de zon en de uren in galop in ons lijf voelen nagloeien en met de wijn ook de kampliedjes boven tafel gehaald worden, komen er een aantal jongens uit een naburig dorp stilletjes naast ons zitten. Pas als Bart en Emiel hun gitaar aan de kant hebben gelegd, pakt een van de jongemannen een gitaar en begint te zingen. Een tweede stem valt in. Dit is prachtig. Ik heb spijt dat ik mijn cassetterecorder thuis heb gelaten, want dit is de mooiste blues die ik ooit heb gehoord. Senegalese blues. Ik begrijp natuurlijk niets van hun liederen, maar ik verbeeld me dat ze net als die van de oorspronkelijke West-Afrikaanse minstrelen, de griots, verhalen van oorlog en liefde.
Dag 3: Vissen vangen in het aards paradijs
Eindpunt van deze dag is Simal. 'Pas si mal', gekscheren wij, want we ruilen voor één nacht onze tentjes in voor een echte Afrikaanse rieten hut. Bovendien kunnen we het zand uit ons haar wassen onder stromend water! Dit is een waar paradijsje, gelegen aan een zij-arm van de Saloum-rivier. Ook de paardjes krijgen een verfrissende wasbeurt in het zoute water. Na de middag gaan we vissen, tenminste, dat is de bedoeling. We varen een uurtje in een houten piroque en gooien onze op houten klosjes gewonden visdraden met een garnaal eraan in het water. De vangst is mager: drie spartelende exemplaren varen onder in de boot met ons mee terug. Loes is supertrots, want zij blijkt de enige toubab die kan vissen!
Dag 4: Feesten onder een klapperend palmendak
Zelfs cowgirls krijgen de blues. En de blaren! De vorige dag in Simal heb ik verpleegster gespeeld en de wonden op het achterste van Loes verzorgd. De vermoeidheid speelt ons parten en de Afrikaanse zon is genadeloos. Onderweg worden we wat stiller en ieder mijmert wat voor zich. We kruisen de zoutvlakten van de delta en waden ergens anderhalve meter diep door het water. Als we een aantal kadavers in ontbinding passeren, legt Ibou uit dat dit een paardenkerkhof is. De bevolking heeft een groot respect voor paarden en hun vlees wordt niet gegeten. De krengen blijven liggen tot de gieren en de maden alles hebben verslonden. Geen wonder dat mijn viervoeter geen zin heeft om hier halt te houden voor een foto.
En dan verandert het landschap plotseling in één groot palmenbos. Midden tussen de metershoge majestueuze en lawaaierige (de bladeren klepperen voortdurend tegen elkaar, alsof het stortregent) palmbomen staat ons kamp al klaar. Deze avond is het feest. Emiel heeft onderweg tam-tam geslagen en alle dorpsbewoners (vooral de 'Gazelles'!) uitgenodigd voor een soirée à la Senegalaise. Ibou en Boubacar halen met de jeeps de muzikanten op. Eens die hun meeslepende ritmes op de djembés (de Afrikaanse trommels) roffelen, is het hek van de dam. Er wordt een kring gevormd en het is de bedoeling dat ieder op zijn beurt sensueel zijn heupen en billen laat trillen. Loes is niet alleen de enige toubab die kan vissen, ze blijkt ook een kei in Afrikaans dansen! 'C'est quelque chose', zucht Boubacar, nuchter als altijd. Mijn eigen heupen lijken wel erg Noord-Europees, maar na een paar 'Gazelles' gooi ik ook mijn gène aan de kant. Nog lang nadat wij onze vermoeide botten ten ruste hebben gelegd, drumt het Afrikaanse ritme door het bos, waarna de muziek verstilt en wordt overgenomen door de eeuwig klepperende palmen en 's ochtends vroeg opnieuw door het 'pilon-pon pon' van de vrouwen uit het dorp.
Dag 5: Een eindeloos strand voor onszelf
Een verplichte stop maken we bij de allergrootste baobab van Senegal (32m omtrek), waarin vroeger de griots werden begraven en waaraan magische eigenschappen worden toegeschreven. Doordat de griots niets anders konden dan muziek maken en zich zeker niet met landbouw bezig hielden, wordt er gezegd dat er op dit land behalve mangroves geen gewas meer groeit. En dan
de oceaan! Vlakbij Mbodienne staan onze tentjes met zicht op een eindeloos strand. Het is eb en het zand ligt bezaaid met prachtige roze schelpen. De enige strandbewoners, de pelikanen, vliegen af en aan. De golven zijn wild en fantastisch om in te duiken, hoewel Emiel waarschuwt voor de gevaarlijke onderstroming. Mbodienne is de geboorteplaats van Adelaïde. Hier woont haar hele familie inclusief haar anderhalf jaar oude dochtertje, Marie-Philomène. We maken kennis en Adelaïde toont ons trots haar omgeving. Het is er op zijn zachtst gezegd onhygniënisch, maar de stad leeft. Op een pleintje zitten oude mannetjes te dammen en te kaarten en uit een plaatselijk kroegje klinkt volksheld nummer één Youssou n'Dour. Emiel troont ons mee naar het plaatselijke dispensarium, waar Franse oude nonnetjes medicijnen verkopen. Hier werd hulp aan Marie-Philomène geweigerd toen ze als baby bijna stierf aan malaria. Emiel maakt van zijn oren tegenover de oude zuster. 'Dit is de Gazet van Antwerpen', roept hij, en als je Adelaïde of haar familie de volgende keer niet helpt, zal zij dat in de krant schrijven. Voor de kosten van de medicijnen sta ik persoonlijk in!' De non knikt geschrokken.
Dag 6: Het dorpshoofd en de Africa-cup
De paarden ruiken de stal en steken vanzelf een tandje bij. Ook onze gidsen hebben haast: Senegal speelt de finale van de Africa-cup tegen Kameroen. In rengalop keren we terug naar ons basiskamp. In Soussane is er maar één groot stenen huis en in dat huis staat één klein zwart/wit tv-toestelletje. Heel het dorpje zit ervoor gekluisterd. Dorpshoofd Diokel Diome maakt niettemin tijd om ons de waterput van zijn dorp te tonen. 'Even helder als Evian!' beschrijft hij trots het water dat van acht meter diep komt. Het is mede dankzij Emiel dat de put hier staat. Nu moet er nog een elektrische pomp worden aangeschaft. Dat kost zo'n 1500 euro. Maar daarmee is het niet gedaan. Ook brandstof voor de pomp kost geld. Wie met Emiel op paardrijtocht gaat door Senegal betaalt direct mee aan dit en andere ontwikkelingsprojecten rond Soussane-Sarène. Tot zijn doelen bereikt zijn, blijft Emiel op post.
Zalige oesters en stinkende vis
Tussen Mbodienne en Mbour ligt Joal-Fadiout. Het zijn eigenlijk twee plaatsjes waarvan het eerste, Joal, aan de kust ligt, en het tweede Fadiout in zee. Het is een eilandje dat volledig is opgetrokken uit witte schelpen en verbonden met het vasteland door een heel lange houten brug. De bevolking bestaat voor negentig procent uit katholieken en tien procent moslims. De helblauwe koepel van de moskee en het dak van de kerk zijn de hoogste punten van het dorpje. Een tweede brug verbindt het eilandje met het kerkhof, waar katholieken en moslims netjes naast elkaar worden begraven. Het is laag water. Tussen het slib scharrelen honden. Eentje heeft een sliert varkensdarmen in zijn bek bungelen. Na een toeristische rondleiding zeilen we neer in het restaurantje Les Palétuviers ('de mangroven') en eten oesters (1,5 Euro voor tien stuks) bij onze Gazelle en ik probeer niet te denken aan het water waaruit dit goddelijk verse zeefruit werd opgediept
Mbour is het handelscentrum van de streek. De drukke vissersstad ligt zo'n 80 km ten zuidoosten van Dakar en het enige 'mondaine' dat we tijdens onze reis te zien krijgen. De haven is zeer de moeite, hoewel we ons er met de neus dichtgeknepen doorheen bewegen, zo stinkt het hier naar - niet altijd even verse - vis. We bezoeken de markt, waar je alle fasen van de djembé-fabricatie, van boomstam tot geitenvel, kunt bekijken en beluisteren. Het kopen van de simpelste zaken is een bron van onverholen gesjacher, eindeloos onderhandelen en een stukje (gratis) theater. Soms word je in de luren gelegd, en soms kom je zoals ik thuis met een schitterende djembé voor 9 euro.
Project Bambalaye
Toen Emiel Simons (47) in mei vorig jaar als toerist meeging op een Senegal-reis van Hippo-Trek, voelde hij zich 'geroepen'. "Misschien is dat nog het meest juiste woord", vertelt hij zelf tijdens de paardrijtocht. "Ik voelde mij aangegrepen door de armoede die er vlak achter de luxe-hotels nog altijd heerst in Senegal. Na die reis ben ik gebleven. Om de paardrijtochten te begeleiden, want de vorige plaatselijke organisator bleek niet competent, maar ook om mijn handen uit de mouwen te steken. Deze tochten door de brousse verschaffen niet alleen werk aan de lokale bevolking, er gaat ook een deel van de opbrengst naar ontwikkelingsprojecten, zoals de waterput die vorig jaar in Soussane-Sarène is gebouwd." Het project 'Bambalaye' is genoemd naar een van de bekendste marabouts (spirituele leiders) van Senegal. En Bambalaye werd ook Emiels Senegalese naam. "Niemand noemt me hier Emiel." Emiels vrouw en twee kinderen van tien en dertien bleven in het Belgische Bonheiden. Emiel: "Ik ben ongeveer de helft van het jaar in Senegal. De andere helft werk ik in mijn bedrijf in België. Hoe zich dat in de toekomst uitwerkt, moet nog blijken. Voorlopig gaan mijn kinderen gewoon in België naar school, dus een definitieve verhuis zit er nog niet in. Wel zijn Nathalie, mijn vrouw en Jefke en Mieke afgelopen zomer komen kijken naar mijn vorderingen hier in Senegal. Ook zij waren onder de indruk van de vriendelijkheid van de bevolking. Ik denk dat je van een reis in Senegal in de eerste plaats de mooiste herinneringen bewaart aan de Senegalezen zélf."
Senegal Praktisch
Door het wegvallen van Sabena ben je voor vluchten van Brussel naar Dakar (ong. 6 uur vliegen) aangewezen op Iberia, Air France of Allitalia. Dat betekent een onvermijdelijke tussenstop. Een ticket kost tussen de 500 en 750 euro, afhankelijk van het seizoen.
Wil je ook te paard door de delta van de Siné-Saloum, dan kan dat met Hippo-Trek. De reis die wij maakten kost 911 Euro (exclusief vlucht) en duurt één week. Meer info: Hippo-Trek, tel: 050/61 17 85
Tekst: Jakobien Huisman
|