GESCHIEDENIS (vervolg)
Britse overheersing
Het Verdrag van Vereeniging regelde volledige Britse soevereiniteit over de Zuid-Afrikaanse republieken, en de Britse regering nam de oorlogsschuld van 3 miljoen pond over van de Afrikaanse regering. Het Nederlands kreeg een bijzondere wetelijke status (Het Afrikaans werd nog niet als afzonderlijke taal erkend). Een belangrijke regeling was dat zwarten geen stemrecht kregen, met uitzondering van de Kaapkolonie.
Het Britse bestuur probeerde gedurende korte tijd de Boerenbevolking te verengelsen door het Engels op scholen verplicht te stellen, maar dit mislukte en vergrootte de woede van de Boeren alleen maar. Deze verplichting werd geschrapt wanneer de Liberalen in 1906 in het Verenigd Koninkrijk aan de macht kwamen. Rond deze tijd begon ook de eerste formele erkenning van het Afrikaans, als taal afwijkend van het Nederlands. Pas in 1926 zou het als taal het Nederlands vervangen.
Unie van Zuid-Afrika
Na vier jaren onderhandelen werd op 31 mei 1910, precies acht jaar na het einde van de Tweede Boerenoorlog, de Unie van Zuid-Afrika gesticht. Deze unie bestond uit de republieken Kaapkolonie, Natal, Oranje Vrijstaat en Transvaal. De nieuwe Unie bleef een Brits dominion, maar de politieke macht lag in handen van de blanke minderheid.
In 1910 richtten Louis Botha en Jan Smuts de Zuid-Afrikaanse Partij op, en gezamenlijk leidden ze de Unie tot de Nationale Partij onder Barry Hertzog hen afloste.
In 1934 werden de twee partijen samengevoegd, en vormden de Verenigde Partij. Deze partij streefde naar samenwerking tussen Afrikaans- en Engelssprekende blanken. De partij scheurde in 1939 in tweeën, wanneer de Unie actief werd in de Tweede Wereldoorlog als bondgenoot van het Verenigd Koninkrijk. De rechts-georiënteerde Nationale Partij sympathiseerde tijdens de oorlog met Nazi-Duitsland en streefde na de oorlog naar een grotere rassenscheiding, de apartheid.
Apartheid
De Nationale Partij kwam in 1948 aan de macht onder D.F. Malan. Al snel werden veel regels voor rassenscheiding ingevoerd. Onder de naam apartheid werden veel rechten ontnomen aan mensen van gemengd ras (kleurlingen). De weinige zwarte Afrikanen in de voormalige Kaapkolonie die stemrecht hadden verkregen, verloren dit weer.
Huwelijk tussen mensen van verschillende rassen werd verboden en speciale scholen werden gesticht die alleen zwarte leerlingen aannamen. In winkels moesten blanke klanten altijd worden geholpen voor zwarte. Zwarten moesten speciale interne paspoorten op zich dragen als ze zich in blanke gebieden wilden begeven. Als ze dit niet deden konden ze gearresteerd worden.
Het Afrikaans Nationaal Congres (ANC), de grootste politieke organisatie van zwarten, had socialistische wortels, en dit was voor de regering een handig excuus om de partij te onderdrukken tijdens de Koude Oorlog. Zowel van zwarte als van blanke kant werd hevig geprotesteerd tegen de apartheid, maar deze protesten en opstanden werden hardhandig onderdrukt door veiligheidstroepen.
In 1960 riep het apartheidsregime internationale verontwaardiging op, door het bloedbad van Sharpeville, waarbij 69 ongewapende zwarte protesterenden (waaronder vrouwen en kinderen) werden doodgeschoten en meer dan 180 gewond raakten.
Ze protesteerden tegen de 'passenwetten', waarbij velen hun passen (identiteitspapieren) verbranden. Direct na deze tragedie werden het ANC en andere zwarte politieke organisaties officieel opgedoekt. Op 5 oktober van dat jaar stemde de blanke bevolking in een referendum voor het verbreken van de laatste verbindingen met de Britse monarchie. Het voorstel werd goedgekeurd, en Zuid-Afrika werd een republiek. Een wens van de boeren kwam uit.
Op 31 mei 1961 ontstond de Republiek van Zuid-Afrika waarbij Koningin Elisabeth werd vervangen door een President. Het nieuwe land trok zich terug uit het Gemenebest onder druk van de Afrikaanse en Aziatische leden.
Onder de nieuwe president Hendrik Verwoerd werden in de zestiger jaren 3,5 miljoen zwarten met geweld uit hun huizen verdreven naar speciaal daarvoor ingerichte thuislanden in een poging de apartheid minder racistisch te doen lijken. Op deze manier ontstond een serie, door zwarten geregeerde, marionettenstaten, en aan de zwarten werd de keuze gegeven naar welke van deze quasi-autonome thuislanden ze wilden vertrekken. Deze keuze werd meestal gebaseerd op de etnische groep waartoe ze meenden te behoren. De regering rechtvaardigde deze regeling door te stellen dat zwarte Zuid-Afrikaners eigenlijk de oospronkelijke bewoners van deze staten waren, niet van de Republiek.
Voor het ANC en een splintergroep, het Pan Africanist Congress, was dit aanleiding om over te gaan tot gewelddadige acties. Het ANC beperkte zich voornamelijk tot strategische doelen zoals stroomcentrales (waarvoor de latere president Nelson Mandela gevangend werd gezet) en andere infrastructuur, terwijl de Pan-Africanisten overgingen tot meer willekeurige terreuracties.
De Soweto-rellen
Tijdens een reorganisatie van het Bantoedepartement van Onderwijs in 1975, besloten enkele burocraten een al lang vergeten wet uit te voeren waarin werd voorgeschreven dat secundair onderwijs alleen in het Afrikaans mocht worden gegeven, in plaats van Engels of een inheemse taal. In 1976 werden verscheidene onderwijzers, die weigerden deze regel te volgen, ontslagen. Hierop namen hun collega's collectief ontslag. De spanningen liepen al snel op, en in mei werd een Afrikaanssprekende leraar neergestoken. Studenten die weigerden hun werkstukken in het Afrikaans te schrijven werden van school gestuurd. Van de ene na de andere school gingen de leerlingen in staking, waarop de regering reageerde door de scholen te sluiten en de stakende leerlingen te verbannen.
Op 16 juli 1976 werd in het zwarte district Soweto bij Johannesburg een protestmars georganiseerd. Zo'n 20.000 studenten arriveerden in groepen, op korte afstand gevolgd door de politie. Ondanks de oproep van de organisatie om de politie niet te provoceren ontstonden er al bijna direct conflicten. De politie reageerde met het afvuren van traangas, en later kogels, in de mensenmenigte. De zwaar ondermande politie-eenheden vluchtten om zich te hergroeperen, en de woedende menigte wierp barricaden op en begon staatseigendommen te vernielen en staatswerknemers aan te vallen.
Door grote aantallen politieagenten in te zetten waren de Soweto-rellen na enkele dagen de kop ingedrukt, maar de volgende weken sloeg het geweld over naar andere zwarte townships.
Gedurende de rellen brachten internationale nieuwsorganisaties beelden naar buiten van ongewapende protesteerders die wreed werden afgeslacht door veiligheidstroepen. Een beroemde foto toont het beeld van de 13-jarige Hector Petersen, doodgeschoten door de politie, terwijl hij wordt weggedragen. Dit nieuws drong echter niet door tot de blanke minderheid in Zuid-Afrika zelf, aangezien de media er nauwelijks aandacht aan besteedde. De Zuid-Afrikaanse omroep stond onder strikte controle door het apartheidsregime.
Al snel gingen veel landen, opmerkelijk genoeg met uitzondering van de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk, over tot economische sancties tegen Zuid-Afrika als antwoord op de apartheid in het algemeen, en de afhandeling van de Soweto-rellen in het bijzonder. De VS en het VK wilden hier niet aan meedoen vanwege de prominente rol van Zuid-Afrika als leverancier van diamanten, platina en goud.
De Koude Oorlog
Een andere reden van het protest van de Verenigde Staten tegen het verbreken van de banden met Zuid-Afrika was het feit dat een nieuwe front in de Koude Oorlog was ontstaan in Afrika. Voor de VS was Zuid-Afrika al lang een betrouwbare bondgenoot tegen het communisme, in een continent waar alle andere landen zeer gevoelig bleek te zijn voor de Sovjet invloeden.
Een staatsgreep in Portugal in 1974 leidde tot de terugtrekking van het land uit haar kolonies in Angola en Mozambique, buurlanden van Zuid-Afrika. Nationalistische en communistische groeperingen in Angola probeerden onmiddellijk het ontstane machtsvacuüm op te vullen, wat resulteerde in een burgeroorlog van 1975 tot 1976. De Movimento Populair de Liberacio de Angola (MPLA) kreeg financiële steun uit Rusland, en duizenden Cubaanse soldaten arriveerden om mee te vechten. Dit zorgde voor grote verontrusting in Zuid-Afrikaanse regeringskringen.
Om de Zuid-Afrikaanse regering ervan te weerhouden de apartheid te ontmantelen, waardoor het communistische ANC een revolutie zou kunnen starten, gingen presidenten Carter en Reagan over op een politiek van constructieve betrokkenheid, en samen met Zuid-Afrika werd de UNITA-invasie in Angola gesteund.
Gedurende de jaren tachtig voerden Zuid-Afrikaanse troepen, heimelijk gesteund door de VS, grensoverschrijdende acties uit op Angolese basissen die gebruikt werden door de communistische SWAPO, die streefden naar een onafhankelijk Namibië.
In 1988 ondertekenden Zuid-Afrika, Angola en Cuba een overeenkomst die regelde dat Cubaanse troepen zich terugtrokken uit Angola, en waarmee Namibia onafhankelijkheid werd beloofd.
Overgang naar een meerderheidsregering
In de negentiger jaren kwam er een eind aan de apartheid door de vrijlating van Nelson Mandela op 11 februari 1990 door president F.W. de Klerk, een gebeurtenis die over de gehele wereld rechtstreeks op televisie te volgen was. Op 18 november 1993 keurden 21 politieke partijen een nieuwe nationale grondwet goed. Met de hierop volgende democratische verkiezingen, van 26 tot 29 april 1994 was een meerderheidsregering een feit. Als nieuwe president werd Nelson Mandela gekozen, later opgevolgd door Thabo Mbeki. Zuid-Afrika voegde negen inheemse talen toe aan het al bestaande Engels en Afrikaans, waarmee het totaal aantal officiële talen op elf kwam.
Vlak voor zijn aftreden wist de blanke regering de wereld nog te verrassen: men bekende zes kernwapens te hebben geproduceerd. Deze waren echter vernietigd, wellicht om te voorkomen dat ze in handen van de nieuwe regering zouden vallen. De kernbommen waren vermoedelijk bedoeld om vijandige zwarte buurstaten te intimideren, ook omdat het land zeer weinig bondgenoten had.
Het post-apartheidstijdperk
Al snel na de verkiezingen begon de nieuwe ANC-regering met het omvormen en ontwikkelen van de economie. Deze politiek van reconstruction and development (RDP) werd later vervangen door GEAR, een meer conservatieve manier gericht op groei en buitenlandse investering. Deze verandering was controversiëel, en een bron van veel spanningen tussen het ANC en haar bondgenoten, de Zuid-Afrikaanse Communistische Partij en de vakbondsalliantie (COSATU).
Ondanks deze pogingen tot economisch herstel heeft de Zuid-Afrikaanse economie nog altijd te kampen met vele problemen. Hoewel in april 2004 de inflatie gedaald was tot 0,2%, en de Rand stabiel was ten opzichte van de dollar, blijven de buitenlandse reserves gering. Deze zijn echter gestegen van een dekking van import voor drie weken in 1994 naar 18 weken in 2003.
Werkloosheid is al lange tijd stabiel op bijna 30% van de werkende bevolking. Ruwweg 60% van de bevolking leeft onder de armoedegrens met een inkomen van 250 Rand (ongeveer 30 euro) of minder per maand. Welvaartsspreiding blijft een probleem: de armste 50% van de totale bevolking ontvangt 11% van het totale nationale inkomen, terwijl de rijkste 7% meer dan 40% ontvangt.
Met het verdwijnen van de ijzeren vuist van de regering is de criminaliteit tot grote hoogte gestegen, hoewel dit deels kan worden toegeschreven aan een verbeterde melding ervan. Desondanks is moord de voornaamste doodsoorzaak van mannen tussen 15 en 21 jaar. Johannesburg staat bekend als een van de onveiligste steden ter wereld.
Er zijn omkopingszaken aan het licht gekomen bij regeringsfunctionarissen. Een hiervan betrof ANC-parlementslid Tony Yengeni en Daimler-Chrysler Aerospace. Yengeni werd veroordeeld voor het niet melden van een korting van 47% (ter waarde van 167.387 Rand) op een Mercedes Benz 4x4 die hij in 1998 kocht. Hij werd veroordeeld tot vier jaar cel.
Een aantal kleine rechts-georiënteerde terroristische organisaties zijn actief in Zuid-Afrika. Zij zijn gekant tegen de zwarte meerderheidsregering, en willen terugkeer naar het apartheidregime en politieke dominantie van (blanke) Afrikaners. Voor een aantal bomaanslagen in Soweto in 2002 werden een aantal vermeende leden van een dergelijke groepering, de Boeremag, gearresteerd.
De economie van Zuid-Afrika schijnt zich de laatste jaren (1999-2003) te hebben gestabiliseerd, en blijft de grootste concentratie van industriële macht op het Afrikaanse continent. Het is tevens de enige staat in Afrika met kernenergie in welke vorm dan ook.
De AIDS-crisis
Net als bijna geheel Afrika bevindt Zuid-Afrika zich midden in een aids-epidemie. Een onderzoek uit 1999 wees uit dat 22,4% van de vrouwen die openbare klinieken bezocht HIV-positief was. Antwoord van de regering hierop is onduidelijk. President Thabo Mbeki en andere prominente leden van de ANC-regering ontkennen het bestaan van aids, en keren zich tegen het op wettelijke basis verstrekken van medicatie aan HIV-geïnfecteerden. Volgens Mbeki is niet HIV maar armoede de oorzaak van aids, en worden veel mensen die sterven aan de ziekte eigenlijk vergiftigd door de medicijnen. Deze medicijnen zouden gemaakt zijn gemaakt door wetenschappers in dienst van bedrijven, die willen experimenteren op de inwoners van zijn land. De uiteindelijke bedoeling zou liggen in het ontmoedigen van geslachtsgemeenschap tussen zwarten, zodat daar niet teveel van kwamen.
Zonder toegang tot medicijnen en onwetend over de werkelijke aard van de ziekte is het sterftecijfer schrikbarend gestegen.
In augustus 2003 werd in het Zuid-Afrikaanse Durban een nationale Aidsconferentie gehouden. Vlak voor de conferentie kondigde de ANC-regering aan dat het overwoog de wettelijke goedkeuring voor het aids-medicijn Nevirapine in te trekken. Nevirapine is algemeen erkend als een succesvol middel om de kans op overdracht van HIV van moeder op kind te verminderderen.
Aids-activisten waren woedend, en na grootscheepse publieke acties kondigde de regering snel aan dat het haar standpunt zou wijzigen. Met ingang van september 2003 is de regering begonnen medicijnen aan geïnfecteerden te verstrekken.
[bron: wikipedia.org] |